Lauwestraat 166 - 8560 Wevelgem | Tel: 056 410368 | Fax: 056 415774 | Mail: info@vsdc.be | Route

Het begrip 'Geen winstoogmerk'


Het Belgisch privaatrecht onderscheidt 2 werkelijk verschillende soorten georganiseerde groeperingsvormen:

Telkens 2 of meer personen zich verenigen en goederen of bedrijvigheden in gemeenschap brengen om gezamenlijk een bepaalde activiteit in maatschappelijk verband uit te oefenen, wordt deze samenwerking juridisch gekwalificeerd als "vereniging" of "vennootschap".

De aard van het oogmerk onderscheidt de vereniging van de vennootschap. De groepsgenoten in een vennootschap streven er naar winsten te verwerven, daar waar de vereniging niet-lucratieve activiteiten beoogt.

Het "oogmerk" zoals het hier wordt bedoeld, kan omschreven worden als de fundamentele beweegreden die bepaalde personen er toe brengt in groepsverband een bepaald belang te dienen.

Het "doel" daarentegen wordt in dit verband opgevat als de specifieke maatschappelijke bedrijvigheid die een bepaalde groepering wil uitoefenen om het basisoogmerk van de groepsgenoten te verwezenlijken.

Het niet-winstgevende oogmerk van een vzw wordt volgens de heersende opvatting ter zake bepaald als het niet-verdelen van de eventuele inkomsten onder de leden, doch wel het besteden ervan aan de verdere realisatie van het doel van de vereniging.

Men zou dan ook de omschrijving kunnen verfijnen en stellen dat een vzw een vereniging is "zonder winstverdelingsoogmerk".

BESPREKING EN GEVOLGEN VAN HET BEGRIP "GEEN WINSTOOGMERK"
Art. 1 van de wet geeft een definitie van de vzw: De vzw is die welke niet nijverheids- of handelszaken drijft en welke niet tracht een stoffelijk voordeel aan haar leden te verschaffen.

Deze definitie bevat 2 negatieve criteria:

  • geen nijverheids- of handelszaken drijft (= objectief criterium)
  • geen stoffelijk voordeel verschaffen aan haar leden (= subjectief criterium)
nijverheids- of handelszaken:
De vzw mag handelsdaden stellen. De rechtsleer en rechtspraak aanvaarden unaniem dat een vzw daden van koophandel mag stellen die haar inkomsten verschaffen.

Dit principe werd voor het eerst weerhouden door het Hof van Cassatie bij arrest van 25.02.1935 (Pas. 1935, I, 170). Deze rechtspraak aanvaardt dat de vzw daden van koophandel mag stellen voor zover de winsten, die hieruit voortvloeien, worden aangewend voor het bereiken van het maatschap-pelijk doel en niet worden verdeeld onder de leden tijdens het bestaan van de vzw of bij haar ontbinding.

M. Wolfcarius stelt in "Les activités commerciales des associations sans but lucratif" (Rev. Soc. et Comm. 1979, 204 en vlg.) dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de daden van koophandel als hoofdactiviteit en deze gesteld als bijkomstige activiteit.

De daden van koophandel, als hoofdactiviteit gesteld door een vzw, mogen geen winstoogmerk beogen. Zodra een vzw als hoofdbezigheid daden van koophandel stelt, die haarzelf en haar leden winst verschaffen, heeft men niet meer te maken met een vzw. Een vzw mag wel bijkomende winstgevende activiteiten hebben, maar onder de volgende voorwaarden:
  • de bijkomstige activiteiten moeten werkelijk bijkomstig zijn en niet in feite de hoofdactiviteit uitmaken;
  • de winsten die deze activiteiten opleveren, moeten geheel worden besteed aan de realisatie van het onbaatzuchtig doel dat het voorwerp van de vzw uitmaakt;
  • er moet een noodzakelijk verband bestaan tussen de hoofd- en bijkomstige bedrijvigheid.
Over deze laatste voorwaarde is er evenwel onenigheid. Uit bepaalde arresten van het Hof van Cassatie zou men kunnen afleiden dat de bijkomstige handelsactiviteit noodzakelijk moet zijn voor het verwezenlijken van het gestelde doel van de vereniging.

Voor meer informatie kunt u terecht bij de mensen van onze Juridische dienst.